De 47 rōnin

四十七人之浪人

Yonjūshichinin no rōnin.

Dit verhaal staat in Japan bekend als:

  • “akō rōshi” – 赤穂浪士 – de rondtrekkende samurai van Akō
    of
  • “genroku akō jiken” – 元禄赤穂事件 – het Genroku Akō Incident.

Het waar gebeurde verhaal werd later herwerkt in het wellicht beroemdste kabuki-stuk “Chūshingura”.

Tijdens de Edo Jidai, de “Edo Periode” (1603-1867), was het gebruikelijk dat de keizer jaarlijks drie “ambassadeurs” stuurde naar de shōgun met nieuwjaarswensen.

In 1701 zou het de heer Asano Takumi no kami Naganori van het kasteel Akō zijn die de eer mocht ontvangen om deze gasten een eerwaardig ontvangst te bieden.
Asano dono (tono = 殿 = heer) wees de eer echter bescheiden van de hand. De toen 34-jarige daimyō beheerste immers de aan het keizerlijke hof gebruikelijke etiquette niet.
Uiteindelijk aanvaardde hij echter op voorwaarde dat de kamerheer en protocolmeester Kira Kozukenosuke Yoshinaka hem zou onderwijzen in deze moeilijke taak.

De 61-jarige Kira dono blijkt echter een ietwat eigen persoon te zijn geweest die van Asano sama een materiële vergoeding eistte voor de bewezen diensten.
Dit was wel degelijk gebruikelijk en dus hield Asano sama zich aan deze vraag.
Kira dono vond echter dat de overhandigde “geschenken” niet evenredig waren met Asano’s weelde en aanvaardde ze dus maar pro forma.
Kira besloot echter om Asano de noodzakelijk etiquette niet naar behoren te verklaren.

Zo gebeurde het, dat Asano trachtte alles naar behoren uit te voeren.
Toen de shōgun de afsluitreceptie gaf, behoorde Asano vooraan te staan, wat hij echter niet wist. Hij vroeg Kira om raad, maar deze weigerde omdat hij “geen tijd had om hem net nu te helpen”. Kira liep er vandoor met een neerbuigende opmerking.
Asano ontstak in woede voor de belediging. Hij trok meteen zijn kort zwaard en verwondde de kamerheer aan de schouder en aan het hoofd. Voor hij echter de ceremoniemeester kon doden werd hij door de wachters overmeesterd.

Toen de shōgun het verhaal te horen kreeg, ontstak ook hij in woede en liet Asano aanhouden.
Een ander man verwonden in woede was namelijk verboden. Een hoger geplaatst heer verwonden was nog ondenkbaarder. Maar een zwaard trekken aan het hof van de shōgun was een onvergefelijke misdaad.
Asano trachtte zich voor het tribunaal niet te verdedigen of te verantwoorden.
Hij hield staande dat hij geenszins wrok koesterde jegens de shōgun, maar dat zijn enige fout was, dat Kira nog leefde.

Toen de Ō-Metsuke (hoofdinspecteurs) het onderzoek afgesloten hadden, sprak de shōgun het onherroepelijke verdict: de bezittingen van Asano, het landgoed ten waarde van 50.000 koku te Akō in Harima alsook zijn kasteel, werden verbeurd verklaard en geconfisceerd.
Asano Daigaku, de broer van Asano Naganori, werd onder huisarest geplaatst.

De 322 samurai van Asano werden automatisch “gedegradeerd” tot rōnin. Er ontstond dan ook een verwoede discussie over hoe het verder zou moeten gaan.
De ene partij wilde zich in hun lot schikken en de streek verlaten om voortaan als rōnin door het leven te gaan.
Een andere groep wou het kasteel niet opgeven en het zelfs verdedigen tegen de troepen van de shōgun indien zulks nodig mocht blijken.
Een belangrijk Samurai van Asano, Ooishi Kuranosuke Yoshio, zwoer echter wraak voor de beledigingen van Kira die zijn heer het leven gekost hadden en die hem en de zijnen tot een leven buiten de maatschappij veroordeeld hadden. Hij kreeg heel wat aanhang en dus werden de plannen tot bloedwraak gesmeed.

Dit bleek echter moeilijker dan eerst gedacht. Kira rook immers lont en hij liet de rōnin onder scherpe bewaking stellen. Zo kwam het dat Ooishi en de anderen gedwongen werden hun wraak op de lange baan te schuiven.
Van de oorspronkelijke wraaknemers vielen er meer en meer af, al kwamen er soms wel weer enkelen bij.

De rōnin van Asano begonnen meer en meer te slabakken en dronkenheid en gokverslaving vierden hoogtij. Ooishi stootte zelfs zijn vrouw en kinderen af en ging met een courtisane samenwonen. De andere rōnin deden soortgelijks.
Eén van hen huwde echter de dochter van de architect van het huis van Kira om de blauwdrukken van het gebouw te kunnen krijgen.
Menig Rōnin kreeg ook het aanbod om in dienst te treden van de intussen weer vrijgelaten Asano Daisuke, de broer van de ongelukkige Daimyō. Velen weigerden: “de broer van mijn heer is niet mijn heer!”

Op een bepaalde dag spuwde een samurai van de Satsuma-han op Ooishi, die dronken in de goot lag. Hij schold hem uit dat hij geen samurai was. Dit was voor Kira de laatst nodige bevestiging dat hij vermoedelijk toch niet meer in gevaar was en dus verminderde hij, bijna een jaar na de dood van Asano, zijn bewaking.

Op een koude 14 december 1702 verzamelde Ooishi zijn overgebleven 46 mannen rond zich. Ze haalden de yoroi en wapens die ze verborgen hadden tevoorschijn en trokken, verkleed als brandweerlieden in hun typische gewaad met het hoekige motief op de mouwen, doorheen de sneeuw naar het huis van Kira.
De aanval gebeurde van twee kanten. Eén groep trachtte de poort open te rammen met een gigantische voorhamer, terwijl de andere langs de achterkant binnendrongen in het domein. Kira’s mannen verweerden zich kranig, maar het verrassingseffect was te groot. De 61 samurai van Kira werden verslagen en menigeen sneuvelde in de aanval, terwijl slechts één rōnin het leven liet.

Kira zelf vluchtte en trachtte zich te verbergen, maar werd ontdekt in een tuinhuisje. Men bracht hem naar Ooishi, die hem de kans liet om seppuku te plegen met de tantō waarmee zich Asano het leven nam.
Toen Kira daar echter uit lafheid niet op in ging, sneed Ooishi het hoofd van de kamenier af met dezelfde tantō.
De wrekers wikkelden het hoofd in het gebruikelijke witte doek -wit is in Japan immers de kleur van de dood en droegen het in een brandweeremmer naar de tempel van Sengakuji, waar Asano begraven lag en overhandigden de bloederige trofee aan de kami van Asano. Bij het hoofd werd ook een brief gelegd waarin de 47 rōnin de daad opeisten. Daarna stelden ze zichzelf ter beschikking van de overheid.

De inwoners van Edo en zelfs de shōgun bewonderden hun moed, toewijding en doorzettingsvermogen. De 46 overlevende rōnin hadden immers gehandeld volgens de erecode die opgesteld was door de grote theoreticus Yamaga Soko (1622-1685).
Yamaga, een confucianist, had zeer beduidende werken geschreven over het wezen en betamelijke gedrag van de samurai, waar de daad van Ooishi en zijn mannen uitermate aan voldeed.
Bovendien was het een zeer onpopulaire beslissing gebleken dat men Asano had veroordeeld en dat Kira vrijuit was gegaan. Eén van de betrokken Ōmetsuke was zelfs gedegradeerd omdat hij tegen de veroordeling van Asano had geprotesteerd. Desondanks hadden de mannen van Asano de wet gebroken en dus bleef er voor de regering geen andere optie dan het veroordelen van de 46 rōnin tot seppuku.

De 47 rōnin kregen een graf naast hun heer. Volgens sommige bronnen zou de jongste van hen echter hebben overleefd, doordat hij naar huis, naar Akō gestuurd was om daar te berichten van Kira’s dood.

De samurai van Satsuma Han, die op Ooishi had gespuwd, was uitermate ontroerd door de oprechte trouw en dapperheid van de vermeende nietsnutten. Hij besliste om zelf boete te doen omdat hij zo neerbuigend had gedaan tegenover de dronken Ooishi. Hij toonde berouw aan de graven van Asano en zijn mannen door er zelf seppuku te plegen.
Ook hij werd begraven op dezelfde plek.

Het verhaal werd uiteindelijk het symboolverhaal voor de ultieme wraak van de samurai. Nog tot op de dag van vandaag heeft het niets ingeboet van zijn populariteit!


Originele tekst was toegevoegd aan de oude site van Te-Nage Dōjō door Achim Steigert aka Kennin.